Saturday, 25. of October 2014
Select your Country
worldheart
We comply with the HONcode standard for trustworthy health
information:
verify here.

Nauwkeurigheid van CoaguChek S Ė analyseapparaten / Afwijkende meetwaarden

Uit evaluatiestudies kan de conclusie worden getrokken, dat de CoaguChekģ S met betrekking tot precisie en juistheid een uiterst betrouwbaar analyseapparaat is. Afwijkingen van met andere systemen verkregen meetwaarden (INR/% Quick) kunnen worden verklaard door verschillen in gevoeligheid voor de verschillende factoren tussen de gebruikte reagentia (Thromboplastine) en door verschillen tussen de afzonderlijke reagentiacharges. Hierbij kunnen INR-afwijkingen tot wel 20 % optreden!

Als vuistregel geldt:
Hoe hoger de INR-waarde, des te groter de mogelijke afwijkingen, bijvoorbeeld:

- INR < 2,5

mogelijke afwijkingen 0,1 - 0,5

- INR 2,5 tot 4,5

mogelijke afwijkingen 0,5 - 0,9

- INR > 4,5

mogelijke afwijkingen 1,0 - 2,0


 

De in de literatuur beschreven verschillen tussen reagentia blijken ook van invloed te zijn op de INR-waarden (Schmitz et al., 1995). De inmiddels met INR opgedane ervaringen laten zien, dat ook door de weergave in INR in plaats van in % Quick niet volledig kan worden gecorrigeerd voor de afwijkingen van de meetwaarden, die worden veroorzaakt door verschillen in factorengevoeligheid van de reagentia (Ng et al., 1993). Zo kunnen er tussen de verschillende reagentia afwijkingen van 1,0 INR en meer worden waargenomen, met een toename van de afwijking bij hogere INR-waarden (Cunningham et al., 1994; Schmitz et al., 1995). Bestaan er bijvoorbeeld bij gebruik van twee verschillende reagentia verschillen tussen de meetwaarden rond de waarde van 1,0 INR, dan zou de meetwaarde bepaald met reagens A buiten het therapeutische streefwaardenbereik kunnen liggen, terwijl de meetwaarde bepaald met reagens B binnen dit bereik ligt.
Hoe begrijpelijk de verontrusting en het wantrouwen van de patiŽnten in de met de CoaguChekģ S gemeten waarden ook zijn, toch zijn dit soort individuele afwijkingen niet te vermijden. De oorzaak ligt namelijk in het systeem van de PT-meting zelf. Daarom doen deskundigen de aanbeveling om bij de controle en de eventueel noodzakelijke aanpassing van de Marcumardosering altijd hetzelfde meetsysteem te gebruiken. Bij CoaguChekģ S hebben wij namelijk te maken met een zeer gevoelig systeem, waarbij een zeer geringe verlaging van de activiteiten van de stollingsfactoren al tot langere stollingstijden leidt en hiermee tot hogere INR-waarden resp. lagere Quick-waarden. Worden de CoaguChekģ S-metingen vergeleken met metingen met een minder gevoelig laboratoriumreagens, dat de veranderingen van de activiteiten van de factoren niet of minder goed weergeeft, dan kan dit resulteren in aanzienlijke verschillen in de gemeten stollingstijden. Deze verschillen zijn niet specifiek voor het CoaguChek-systeem, want zij kunnen ook tussen de verschillende laboratoriumreagentia worden aangetoond (Roussi et al., 1994; Gosselin et al., 1997). Reagentia met een lage ISI-waarde (International Sensitivity Index) zijn gevoeliger dan die met een hoge ISI-waarde, hetgeen resulteert in langere stollingstijden (Hirsh et al., 1998). Bij gebruik van laboratoriumreagentia met verschillende ISI-waarden kunnen met hetzelfde bloedmonster van een patiŽnt dan ook verschillen van meer dan ťťn INR-eenheid worden gemeten (Adcock en Duff, 2000). Zelfs bij gebruik van reagentia met dezelfde factorgevoeligheid (ISI = 1,0) kunnen verschillen in de INR-waarde tot 0,5 eenheden optreden (Ng et al., 1998). De resultaten van metingen met alle op dit moment in de handel zijnde systemen voor zelfcontrole wijken af (meestal hogere INR-waarden) van de resultaten van metingen met laboratoriumreagentia (Gosselin et al., 2000; Oral Anticoagulation Monitoring Study Group, 2001). Desondanks leidt zelfcontrole tot een betere instelling van de patiŽnt binnen zijn therapeutische streefwaardenbereik en levert hiermee een aanzienlijke bijdrage aan een voor de patiŽnt betrouwbare therapie.

Aanvullend hebben wij nog enige aanwijzingen om verschillen in INR-resultaten tussen CoaguChek en laboratorium te verkleinen:


 

1. Vermijd bij zelfcontrole de volgende mogelijke oorzaken van fouten:
- Neem van dezelfde prikplaats nooit meerdere malen bloed af.
- Stuw het bloed op de prikplaats niet door de huid naar buiten.
- Voer de vingerpunctie pas uit, als u de bloeddruppel
direct (binnen 15 sec) op de teststrook kunt opbrengen.

2. Vergelijk nooit enkelvoudige meetwaarden. Voor het beoordelen van afwijkingen zijn absoluut meerdere meetwaarden (minstens drie onafhankelijke herhalingen) noodzakelijk.

3. Voor een methodevergelijking met het CoaguChek S-systeem is de Hepato-Quick-bepaling de meest geschikte laboratoriummethode.

4. Alcohol- of zeepresten op de huid kunnen aanleiding geven tot een onjuiste verhoging van de meetwaarden.

5. Hematocrietwaarden lager dan 32% of hoger dan 52% kunnen eveneens aanleiding geven tot afwijkende meetwaarden.

6. Lupusantilichamen in het bloedmonster (eventueel d.m.v. een test controleren) kunnen een verhoging van de INR-waarden veroorzaken.

7. Bij gelijktijdig gebruik van andere geneesmiddelen naast de orale anticoagulantia moet men rekening houden met mogelijke storende invloeden op de INR-waarde.

Tenslotte dienen de te gebruiken bepalingsmethode en het bijbehorende therapeutische INR-bereik in goed overleg met de behandelende arts, die ook inzicht heeft in de anamnese, te worden bepaald.
Dr. Norbert Weis


 

References:
Gosselin R., Owings J. T., White R. H., Hutchinson R., Branch J., Mahackian K., Johnston M., Larkin E. C. (2000): A comparison of Point-of Care instruments designed for monitoring oral anticoagulation with standard laboratory methods. Thromb Haemost 83:698-703.
Hirsh J., Dalen J. E., Anderson D. R., Poller L., Bussey H., Ansell J., Deykin D., Brandt J. T. (1998): Oral Anticoagulants. Mechanism of action, clinical effectiveness and optimal therapeutic range. Chest 114:445S-469S.
Roussi J., Drouet L., Samama M., Siť P. (1994): French Multicentric evaluation of Recombinant Tissue Factor (Recombiplastin) for determination of Prothrombin Time. Thromb Haemost 72:698-704.
Adcock D. M., Duff S. (2000): Enhanced standardization of the international Normalized Ratio through the use of plasma calibrants: a concise review. Blood Coagulation and Fibrinolysis 11:583-590.
Schmitz L. I., Olson S. L., Shapiro R. S., Mc Cormick S. R., Kubic L. (1995): Failure to generate comparable International Normalized Ratio values using five different Thromboplastin Reagents in parallel studies of patients receiving Warfarin. Clin Appl Thrombosis / Hemostasis 1:142-150.
Ng V. L., Valdes-Camin R., Gottfried E. L., Echaves S. A., Stead A. G., Ebert R. F. (1998): Highly sensitive thromboplastins do not improve INR precision. Am J Clin Pathol 109:338-346.
Gosselin R. C., Owings J. T., Lin J., Wong L., Larkin E. (1997): Failure of the international normalized ratio to mitigate system and reagent biases. Blood 90 (Suppl.): 94b-95b.
Oral Anticoagulation Monitoring Study Group (2001): Prothrombin measurement using a patient self-testing system. Am J Clin Pathol 115:280-287.
Ng V. L., Levin J., Corash L., Gottfried E. L. (1993): Failure of the International Normalized Ratio to generate consistent results within a local medical community. Am J Clin Pathol 99:689-694.
Cunningham M. T., Johnson G. F., Pennell B. J., Olson J. D. (1994): The reliability of manufacturer-determined instrument-specific International Sensitivity Index values for calculating the International Normalized Ratio. Am J Clin Pathol 102:128-133.
Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met de afdeling Customer Service van de lokale vertegenwoordiging van Roche Diagnostics ( tel.).